met het schooloverzicht als betekenisvol ankerpunt

In het onderwijsveld wordt gedrag1 steeds meer gezien als domein waarop opbrengsten moeten worden bereikt. Een grote impuls hiervoor komt vanuit de maatschappelijke discussie over pesten. Dit heeft geleid tot de aanscherping van onderwijswetgeving op het punt van de sociale veiligheid in scholen. Als gevolg daarvan gaan scholen zich, vanuit het oogpunt van preventie, steeds meer richten op het stimuleren van gewenst sociaal gedrag. Een tweede impuls is afkomstig uit de oriëntatie op de 21ste-eeuwse vaardigheden, een set toekomstgerichte vakoverstijgende vaardigheden, waaronder een aantal sociale en zelfsturende vaardigheden. De derde impuls komt vanuit een omslag in het didactisch handelen; steeds meer leraren leggen het eigenaarschap van het leren bij de leerlingen zelf neer, vanuit het idee dat dit positieve effecten heeft op de motivatie, de leervorderingen en de zelfsturende vaardigheden.

Scholen staan voor een uitdaging, want het sturen op een gedragsopbrengst is lastig te vergelijken met het verhogen van bijvoorbeeld de rekenopbrengst. Gedrag is situationeel, relationeel, interactioneel en afhankelijk van de ontwikkelingsfase. Het beoordelen ervan wordt daarom regelmatig als subjectief beschouwd. Een rekenles van een uur met een uitkomst op papier of digitaal is daarentegen veel concreter en objectiever te beoordelen.

Opbrengstgericht werken aan gedrag is dan ook een vak apart. De systematiek om opbrengstgericht te werken op de vakgebieden rekenen en Nederlandse taal begint nu in elke school vaste vorm te krijgen. Hieronder wordt verstaan het cyclisch werken (bijvoorbeeld volgens plan-do-study-act) gericht op het bereiken van de schoolambities. Als het gaat om het toepassen van dezelfde systematiek op gedrag, dan lopen veel scholen tegen een drietal, met elkaar samenhangende belemmeringen aan.

De eerste belemmering betreft het meten van gedragsvaardigheden zelf. Veel meetinstrumenten zijn ongeschikt voor dit doel. Ze meten niet wat de school belangrijk vindt, ze worden als subjectief beleefd, ze leiden tot een databrij of ze meten geen opbrengsten maar alleen achterstanden (of uitval). De tweede belemmering betreft het gebrek aan samenhang binnen het gedragsonderwijs: leerlijnen, methodes en meetinstrumenten zijn regelmatig onvoldoende op elkaar afgestemd. Hierdoor leidt het cyclische proces van opbrengstgericht werken niet tot krachtige analyses en interventies. De derde belemmering komt voort uit de eerste twee, namelijk dat de administratieve handelingen die ermee gepaard gaan door veel leraren als niet zinvol worden ervaren.

De drie belemmeringen samen maken dat het proces van opbrengstgericht werken aan gedrag aan kracht inboet. Dat kan nooit de bedoeling zijn, want het belang van gedragsopbrengsten wordt door vrijwel iedereen onderschreven. Daarom is het doel van dit artikel om de lezer een aantal verdiepende inzichten te bieden waarmee hij dit proces op school- en groepsniveau betekenisvol kan inrichten. Dit proces start bij het meten, wat in deel I ter sprake komt. In deel II komt het verbeteren van het gedragsonderwijs aan de orde, waarbij het schooloverzicht als ankerpunt fungeert. Dit verbeterproces wordt geïllustreerd aan de hand van een drietal casussen. Elke lezer die less is more als uitgangspunt kiest, en de kritische beschouwingen en keuzes deelt, kan op dezelfde manier aan de slag gaan!

1 In dit artikel wordt met gedrag zowel sociaal gedrag als leren leren bedoeld. Sociaal gedrag gaat over de interactie met anderen, leren leren gaat over zelfsturing in taaksituaties.

Download ‘Opbrengstgericht werken aan gedrag met het schooloverzicht als betekenisvol ankerpunt’ hier.